Wat een armoede, geen Hartjesdag dit jaar! Wat een waar volksfeest zou
kunnen zijn wordt vanwege een paar vergunningen afgeblazen. Dan doe je
het toch spontaan? De mannen stiften de lippen rood, trekken een jurk
aan, vrouwen tekenen een snorretje op de bovenlip, schieten een heren-
kostuum aan, klaar! Vanouds valt het feest op de derde maandag van
augustus, dus het is nog niet te laat! Morgen kan het beginnen.
augustus, dus het is nog niet te laat! Morgen kan het beginnen.
Hartjesdag stamt volgens de ene deskundige uit de middeleeuwen,
volgens de ander zelfs uit de Germaanse oudheid, maar hoe het ook zij,
het hoort thuis in de Jordaan en omstreken, tot aan de Zeedijk toe.
Talloze kunstenaars lieten zich door deze feestvreugde inspireren: een
George Breitner, Piet van der Hem, Johan Braakensiek (zie onderaan) en
niet in de laatste plaats Jac. van Looy, die zijn indrukken niet alleen
met de schilderspenseel maar ook in woorden vastlegde. Een citaat uit
'Voor winkels die wel zooveel licht geven dat men er lang bij schemeren
kan, of voor de kroegen, 't liefst en 't best van stand aan de hoeken
van straat of dwarsstraat, staan de orgels te dreunen en op hun wielen
te wiebelen nu er de dans om zwaait. De elkaâr houdende paren draaien
in het klammige licht, maken passen en wiegen met de muziek die ronze-
bonst en trompettert uit de mooie klankkast. Er is een panorama in dat
heel langzaampjes opschuift, waar naar de kinderen niet moe worden op
te zien, de gezichten tegen de gonzende kast. Maar 'uit den weg' want
de dans heeft ruimte van noode en de straat is nauw. De meiden die 't
graagst in matrozenpakjes verkleed gaan, zetten de voeten wat wijd,
houden de knieën wat krom, gewend als de beenen zijn aan de verber-
ging der rokken; te breed in 't kruis, loopen ze gespannen in de blauwe
zeemansbroeken, die door den goed aangesjorden trekker om de heupen
vast, over de schoenen wijd is, om de enkels flodderig. Is de broek wit,
dan behoort er een sjerp bij van blauw als in 't ballet.'
van straat of dwarsstraat, staan de orgels te dreunen en op hun wielen
te wiebelen nu er de dans om zwaait. De elkaâr houdende paren draaien
in het klammige licht, maken passen en wiegen met de muziek die ronze-
bonst en trompettert uit de mooie klankkast. Er is een panorama in dat
heel langzaampjes opschuift, waar naar de kinderen niet moe worden op
te zien, de gezichten tegen de gonzende kast. Maar 'uit den weg' want
de dans heeft ruimte van noode en de straat is nauw. De meiden die 't
graagst in matrozenpakjes verkleed gaan, zetten de voeten wat wijd,
houden de knieën wat krom, gewend als de beenen zijn aan de verber-
ging der rokken; te breed in 't kruis, loopen ze gespannen in de blauwe
zeemansbroeken, die door den goed aangesjorden trekker om de heupen
vast, over de schoenen wijd is, om de enkels flodderig. Is de broek wit,
dan behoort er een sjerp bij van blauw als in 't ballet.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten